Autoweek over Empire

Autoweek, 20 juli 2001     

De koning te rijk

Sinds kort heeft Nederland er weer een autofabrikant(je) bij. De Empire Car Company is verantwoordelijk voor de sportieve Sabre Six en de majestueuze Windsor. Nieuwsgierig als we zijn gingen we op onderzoek uit en reden onze eerste kilometers met dit bijzondere duo.

 Tekst Mario Prinsen, foto’s Jacco van de Kuilen, fotolocatie kasteel Heeze

Daar staan ze dan te glimmen op de oprijlaan van kasteel Heeze in het gelijknamige, Brabantse dorp. Een passende entourage voor dit tweetal dat bol staat van de nostalgie. Een waterig zonnetje strooit mooi gedempt licht over ze uit. In dit stemmige decor kunnen we voor het eerst de beide Empire’s van dichtbij bekijken. De twee modellen lijken net zo erg op elkaar als een banaan en een aardbei.

 

 De imposante Windsor roept door zijn giga-afmetingen meteen beelden op van het gelijknamige en al even giga-grote Windsor Castle, het weekendverblijf van de Britse koningin Elizabeth. De Sabre Six is een veel bescheidener tweezits roadster, zoals die in de gloriedagen van de Britse auto-industrie in grote aantallen en variëteiten op de weg werden gezet.
Met de Windsor trek je zondermeer de meeste aandacht. Kan ook niet anders, want hij is manshoog en dus niet over het hoofd te zien. Zo’n Windsor doet het meest denken aan een oude Rolls Royce, maar een paar verdwaalde Jaguartrekjes zijn hem ook niet vreemd. Empire kan de Windsor gesloten leveren, maar ook als de afgebeelde landaulet waarbij het achterste dakdeel is uitgevoerd als cabrioletkap. Dit is eigenlijk de meest interessante uitvoering, domweg omdat landaulet-modellen nog hoogst zelden worden gebouwd. Dat stukje extra exclusiviteit past perfect bij de Windsor, die door zijn prijs van f 342.000 ongetwijfeld een uiterst exclusieve automobiel zal blijven. De koninklijke allure van de Windsor vind je binnenin terug in de vorm van een fenomenale beenruimte achterin; mag je verwachten bij een wielbasis van maar liefst 3,33 meter. Lekker onderuit zakken en je benen nog steeds strekken is geen probleem. Kapje naar beneden en je zonnebank is klaar. Voorin gaat het allemaal iets krapper toe omdat het interieur – geheel in de stijl van weleer – naar

voren toe smaller wordt. Betekent dat je linker been een beetje klem zit onder de armsteun en je tevens een soort gorillahouding moet aannemen om het knopje voor de elektrische raambediening onderin het portier te kunnen bereiken. Kan eigenlijk niet meer, maar daar hoefde je je vroeger niet druk over te maken: de commandopost was voorbehouden aan je chauffeur die zich in die tijd nog niet kon beroepen op ARBO-regels. Uiteraard een stijlvol, notenhouten dashboard met veel meters en uitgebreid gebruik van kostbaar leer.

Onderdeleninkoop

De super-autospotters vinden in het interieur een eerste aanwijzing over de onderdelenshop die Empire geregeld bezoekt. Kijk maar eens naar het stuur met zijn bedieningshendels en het centrale deel van het dashboard. De houtafwerking probeert je aardig te misleiden, maar midden op het dashboard zit toch echt het instrumentenpaneel van een Ford Scorpio. Nog een keer goed kijken en je ziet allerlei schakelaars van Ford-origine.
Onder de lange en hoge motorkap, die in traditionele stijl van opzij open gaat, viert Ford eveneens hoogtij. De aandrijfaggregaten voor de Windsor zijn afkomstig van de grote Ford. Empire koopt ze splinternieuw in bij het Duitse concern, samen met onderdelen voor de remmerij en de wielophanging. De Windsor heeft standaard een 150 pk 2,9-liter V6 van Ford. Een eenvoudig geconstrueerde en betrouwbare machine, maar naar onze smaak een tikkie te licht voor de forse Windsor. De ook leverbare 24-kleps versie met

zo’n 200 pk heeft zondermeer onze voorkeur; niet om te scheuren, maar om gewoon lekker mee te kunnen komen in het dagelijks verkeer.
Hoewel de Windsor met 5,11 meter lengte en 1,80 meter breedte nogal fors is, ondervind je daar tijdens het rijden geen echte hinder van. Wel is het uitzicht naar achteren als de kap dichtzit ronduit beroerd. Uiteraard is dit bepaald geen rijdersauto; merk je meteen aan het stuur dat tijdens het examen van de cursus communicatieve vaardigheden een vette onvoldoende moet hebben gescoord. Het gevoel is uiterst doods en je moet de Windsor dan ook rustig van A naar B laten glijden. Kun je op je gemakje om je heen kijken naar de vele verbaasde en/of verwonderde blikken die je oproept met deze indrukwekkende Windsor. Borrelen vanzelf ook die gevoelens uit vervlogen tijden weer op, want de Empire is absoluut onvergelijkbaar met welke moderne auto dan ook. Je hebt meer het gevoel met een klassieker onderweg te zijn die als praktisch voordeel heeft dat de techniek veel hedendaagser is. Niet kijken op een piepje of kraakje; dat hoort nu eenmaal bij een volledig handmatig geproduceerde auto. En prestaties uit vervlogen tijden harmoniëren perfect met het karakter van de Windsor. Opschieten doe je maar met een dikke Duitser.

Een heel ander verhaal

Hoogste tijd om het Windsor-sleuteltje om te ruilen voor dat van de Sabre Six. In plaats van in de auto te klimmen, dalen we nu af in een tweezits interieur. De Sabre Six is gewoon een lage roadster van het zuiverste Britse water: een lange neus die doet denken aan een Jaguar XK en korte kont die duidelijke associaties oproept met de Austin Healey. Dat afkijken kún je de ontwerpers kwalijk nemen, maar de Sabre Six is er niet minder smakelijk van snit door geworden. Het is een stoere kar met een absoluut zinnenprikkelend uitlaatgeluid. Deze Sabre Six is uitgerust met de Ford V6, die voor de gelegenheid is voorzien van een extra snelle nokkenas en een speciaal uitlaatsysteem. Die nokkenas laat de V6 probleemloos tot over de 7000 toeren draaien en dat doe je met graagte. Immers, tot zo’n 4000 toeren klinkt die V6 vrij gewoontjes, maar daarboven komen er heerlijke, opzwepende klanken uit de orkestbak. Met de toerentellernaald dansend tussen de vier- en zevenduizend toeren krul je met een grijns van oor tot oor over de plattelandsweggetjes. In tegenstelling tot bij de Windsor voel je bij de Sabre wel degelijk in je stuur waar ’ie heen gaat en dat maakt hem tot een lekkere stoeiauto voor bochtige binnenweggetjes. Voor deze veel lagere Sabre Six is de ongeveer 160 pk van de V6-motor ruim voldoende, maar voor de echte die-hards zijn de 200 pk-opties ook beschikbaar.

Ondanks de lage zit en het sportieve karakter biedt de Sabre nog een prima veercomfort, waardoor lange ritten goed te doen zijn. Net als bij de Windsor bekruipt je bij het rijden met de Sabre Six het klassiekergevoel. Wat de auto uitstraalt, maakt ’ie gevoelsmatig dus ook waar, maar je hoeft je minder zorgen te maken om het functionerend houden van het mechaniek. En dat maakt die Sabre Six tot een heel aardig alternatief voor auto’s als een Mercedes SLK of BMW Z3. Beide op en top modern, maar wel een beetje erg steriel. Kun je van de Sabre Six niet zeggen: die leeft nog echt.
En dan komt natuurlijk de hamvraag: zien wij hier wat in? Gelukkig realiseert Empire zich terdege dat er voor deze auto’s een heel beperkte doelgroep is. Je moet ten eerste iets hebben met klassiek Brits en daarbij beschikken over een aardig gevulde portemonnee. Wij denken dat er voor de Sabre Six wel een markt is: het is een leuke, exclusieve auto met het goede Britse roadstergevoel aan boord. Net zoals de Windsor kent ook de Sabre Six zijn beperkingen door de kleinschalige productie. Het voelt allemaal minder solide en kraakvrij aan dan een grootschalig geproduceerde auto. In die zin zit Empire met de Windsor veel moeilijker: voor hetzelfde geld koop je ook bijvoorbeeld een Mercedes S600 Lang! Niet die exclusieve uitstraling, maar wel oerdegelijk van constructie en gezegend met zo’n 350 pk. Dat maakt die Windsor slechts interessant voor een heel klein groepje dat echt iets aparts zoekt en zich om de centjes geen zorgen hoeft te maken. Tot slot nog een bijzonderheid: Empire geeft op beide modellen drie jaar garantie en dat is in de exotische sector van autoland vrij ongebruikelijk.

 

Onder de huid

Empire maakt voor zijn modellen gebruik van zelf ontworpen buizenframe’s. Zo op het oog zijn ze duidelijk overgedimensioneerd; maakt het geheel in ieder geval oersolide. De hoofdbuizen bij de Sabre Six zijn maar liefst 10 bij 10 centimeter in doorsnee. De chassis worden in Nederland gemaakt en voorzien van een poedercoating ter bescherming. Op dit dragende deel worden de glasvezelversterkte kunststof carrosseriedelen aangebracht. Alleen de motorkap is van staal. Onder die kap kun je kiezen uit diverse zespitters die Ford gebruikte in de Scorpio. De basis voor de Sabre is een 2,4-liter zespitter met 120 pk. Daarnaast zijn er nog de volgende opties: een 2.8 en een 2.9, beide met 150 pk, een 2.8 24V met 200 pk en een evensterke, getunede versie van de 2.9. Voor de Windsor is de basismotor de 2.9 V6 met 150 pk. Daarnaast zijn de 200 pk-opties als bij de Sabre ook leverbaar.

Van Royale tot Empire

De Empire Car Company, die achter deze auto’s staat, is een nieuw Nederlands bedrijf dat zich tot doel heeft gesteld deze beide modellen op bescheiden schaal te produceren. De echte autokenners hebben de Sabre Six al eens ooit eerder gezien onder de merknaam Royale. Van dit Britse bedrijf heeft de Empire Car Company alle rechten overgenomen. De naam Empire komt overigens uit de Amerikaanse autowereld: in de jaren dertig werden er auto’s onder deze naam op de markt gebracht. Die naam is nu eigendom van het Nederlandse bedrijf, dat momenteel de productie aan het opstarten is. Gestreefd wordt uiteindelijk naar een jaarproductie van maximaal 60 auto’s.
 
Nawoord van de webmaster (anno 2011)
 
De Empire Car Company is failliet gegaan zonder ooit daadwerkelijk auto's te hebben geproduceerd. De rechten zijn teruggegaan naar Engeland en zijn momenteel (febr. 2011) in handen van Asquith Motors. Echter ook zij nemen de bovengenoemde modellen niet in productie en de rechten zijn te koop (50.000 pond + VAT).